“Ben jij dan nooit jaloers?” vraagt ze me. En kijkt me daarbij aan met van die doorwroetende ogen. De ontboezeming die ik zonet ten berde bracht, heeft ergens een gevoelige snaar geraakt. Dat ik mijn aandacht en liefde kan verdelen, daar kan ze nog wel inkomen, maar dat ik mijn mannen ook deel met andere vrouwen, dát is voor haar een brug te ver: “Ik kan zelf van verschillende mannen tegelijkertijd houden”, bekent ze, “en vind dit eigenlijk heel gewoon, maar ik kan bijna niet aanvaarden dat ik voor hen niet de enige zou zijn. De tegenstelling. Hoe ga jij daarmee om?”Hoe ik daarmee omga. Dat is natuurlijk een verhaal van jaren. Mijn teerbeminde en ik hebben ons niet vanaf het prille en doldwaasverliefde begin van onze relatie in amourettes allerhande gestort. Tijdens de wittebroodsjaren is er maar één ding dat je wil: die ene geliefde opvreten met huid en haar, opnieuw en opnieuw en opnieuw. Maar dan, na verloop van jaren, begint het te jeuken. Want je bent jong en je wilt wat. Je wilt veel en vanalles. Je houdt ogen en oren open en ziet zoveel moois, zoveel onontgonnen gebied, zoveel lekkers. Dus zijn wij na de zeven vettige jaren tot een entente gekomen: we houden zielsveel van elkaar, maar in ons hart zijn nog kamers over voor anderen. En dus piepen wij van tijd tot tijd over de haag. Om te zien of daar niet wat lekkers passeert. En als het ons bevalt, marcheren we met dat passantje samen een beetje schuin. Soms duurt dat één onwelvoeglijke nacht lang, vaker duurt dat jaren. En wanneer het vrije vogeltje na het uitvliegen terugkeert naar het nest, kijken we elkaar diep in de ogen. Daar lezen we of het goed was, met die derde, en dat voelen we ook. Want er is verse inspiratie toegevoegd aan ons liefdesspel, de handen grijpen gulziger dan voorheen, en de kussen getuigen van die extra gretige, overspelige goesting.
Uiteraard liep dit sprookje niet altijd over rozen. Er was al wel eens een passantje dat meer een doorn in het oog was dan een welkome afwisseling. En ja, mijn liefste vriendin, om op je vraag te antwoorden: het groene monster heeft ook hier zijn kwijl afgescheiden. Niet dat we ten prooi vielen aan de uitzinnige crises waar überlibertine Catherine Millet van getuigt in ‘Jaloezie’, maar ook ons liefdesnest is gebouwd met bloed, zweet en tranen. Er werden stenen verlegd, maar slechts na jarenlang schipperen, schuren en schaven. Geen van ons beiden zou echter nog terug willen naar de monomanie van de monogamie. Naar de gevangenis die de echtverbintenis al te vaak is, naar die dwangbuis die mensen verstikt en verdooft, die alle verlangens en verliefdheid, alles wat ons mensenbeesten wild en vurig houdt, in de kiem smoort.
Na jaren van behoedzaam balanceren, kunnen we met een gerust hart beweren dat het genot het hier heeft gewonnen van de afgunst en de angst. Want ten huize Rafaela is alles zo helder als wijwater: ik ben voor mijn man de vrouw van zijn leven, en hij is mijn compagnon de route totterdood. Wij laten elkaar nooit - oh gemene wraak die mijn deel zal zijn omdat ik dit durf te beweren - ofte nimmer in de steek. Dat is de oorkonde die wij in lang vervlogen tijden met veel graagte hebben ondertekend. En al de rest zijn uitstapjes uit het alledaagse, luxecadeautjes die we onszelf schenken, verrijking en amusement. Er is brood en er zijn spelen: in de echtelijke sponde stillen we onze primaire behoeften, en daarbuiten geven we ons over aan ’t spelleken van pleysier. Om met nog meer honger naar huis te komen. Want verandering van spijs doet eten. En wij zijn beiden zeer weelderig van vorm.
(verschenen in De Morgen Wax op zaterdag 20 juni 2009)
(beeld: copyright Rafaela ~ sensOtheque)


0 comments:
Post a Comment