Monday, June 08, 2009

De tongriem en de speer

Het moest ervan komen. We kunnen moeilijk wekenlang deze kolommen vullen met sensualiteiten allerhande en voorbijgaan aan het nec plus ultra, het pronkjuweel, de kwintessens, de aas van ’t spel der wederechtelijke genietingen: de penis. Of in omtrekkender bewoordingen, om de paapse divisie van ‘t lezerspubliek niet te schofferen: het mannelijk geslachtsdeel. Of in nog meer bewoordingen: fallus, lid, roede, stengel, plasser, pik, lul, piet, haantje, fluit, elfde vinger, flosh, genotsknots, ijsje, kindermaker, kleine generaal, klok-en-hamerspel, willy, poereloere, potlood, staaf, tampeloerus, lolly, worst, jongeheer, wortel, knuppel, sabel, lans, snikkel en oh ja: derde been.
Slik. Dat was een hele mond vol. Immers: zovele woorden, zoveel soorten. Van lenige brandweerslang tot recalcitrante regenpijp, van sierlijke lucifer tot knoestige knuppel, van vlammend zwaard tot gezapige zondagsrijder, van gedreven degen tot luizige flierefluit, van zondige straatkapoen tot hovaardige praatpaal, alles vind je op ’t Menu der Mannelijke Mirakelen. En u, trotse bezitster van dat innemende recipiëntje, hoeft maar te kiezen welk lekkernijtje u het liefst verslindt tussen de gastvrije billen. A la carte. Ja, ik weet het: doorgaans zit Mijnheer Heerlijkheid zorgvuldig verscholen achter enkele laagjes stof. Maar een geoefend oog leert door de broek heen kijken. Pookhoogte nemen. Keuren en kwijlen.
Doch, een broek vol belofte is niet altijd een garantie op een rijkelijk gevuld vagijntje. Want God schiep de man en hij schiep twee soorten piemels. De eerste soort is ‘what you see is what you get’. Betrouwbaar, maar weinig verrassend: vlezig van aard en niet zo verschillend van omvang in slappe en erecte staat. De tweede soort is de bedrieglijke: misschien ietwat teleurstellend in werkloze toestand, maar eenmaal ze volloopt met bloed en goesting: you ain’t seen nothing yet. Flabbergasting. Een transformatie van jewelste.
Laat u dus niet in de paling nemen. Schud eerst wat met de kont en lonk wat met de ogen. Laat dat wisselstukje van je warmlopen, vooraleer u de benen neemt. En als het echt tegenzit, als u tegen alle verwachtingen in toch te maken krijgt met zo’n mindere god uit de pikorde, troost u dan met volgende gedachte: strijders die het moeten doen met een bescheiden speertje, zijn vaak volleerde vingerkunstenaars. Of zeer bedreven met de tong. Of opvallend goed ter taal.
Ach, zovelezoveel mannen, zoveel soorten. Net zoveel soorten als er poesjes en flamoesjes zijn. Mijnschachten en mariagrotjes, geurige roosjes en overrijpe pruimen, allen weten ze hun poepenheimers wel te vinden. In ieder potje past een pookje. Weet echter één ding: als u ooit een vent in uw netten strikt die een toonbeeld is van viriliteit, royaal geschapen, opvallend rad van handen en goed van de tongriem gesneden: dankt de hemel op uw blote knietjes en laat hem nimmer los. Het betreft hier een godsgeschenk.

Heeft u een alleraardigst koosnaampje voor de trofee van mijnheer? Of koestert u andere wetenswaardigheden omtrent zijn speer? Laat het ons weten op info@sensOtheque.com !

(Deze tekst verscheen in De Morgen Wax op 6 juni 2009)

(beeld: Rêve de queue - Georges Grosz)

1 comments:

Leen said...

Heb je veel reacties gekregen?